Kamerbeek Fillet advocaten arbeidsrecht ondernemingsrechtHet loonoffer2 februari 2005 Minder geld voor hetzelfde werk. Het fenomeen van het loonoffer steekt geregeld de kop op. Het personeel van het automatiseringsbedrijf Aino ging, vanwege acute geldnood bij het bedrijf, in 2002 akkoord met een loonoffer van twintig procent. Ook in andere bedrijfstakken zijn voorbeelden van loonoffers bekend. Dat het gewenste effect van een loonoffer, te weten het voorkomen van gedwongen ontslagen en/of het bewerkstelligen van het voortbestaan van de onderneming, in veel gevallen wordt bereikt, lijkt echter niet het geval te zijn. De afgelopen decennia gaven veel voorbeelden te zien waarin een loonoffer van het personeel slechts uitstel van executie was en het bedrijf uiteindelijk toch tot massaontslag of faillissementsaanvraag moest overgaan. Daaronder bijvoorbeeld Fokker, en ook het zojuist genoemde Aino. Beter verging het het noodlijdende bedrijf Nedstaal. In 2002 werd het personeel verzocht om eenmalig van de dertiende maand af te zien. Men ging akkoord, en het bedrijf overleefde. De vakbeweging staat zeer terughoudend tegenover loonoffers. Een belangrijk bezwaar is dat mocht er uiteindelijk toch ontslag of faillissement volgen, de betreffende werknemers een lagere WW-uitkering krijgen, die immers is gebaseerd op het laatstverdiend loon. De meeste loonofferakkoorden komen dan ook tot stand in bedrijven die niet onder een CAO vallen en waarbij de vakbonden niet betrokken zijn. In een recente gerechtelijke uitspraak was een casus aan de orde waarbij het wel ging om een loonoffer krachtens CAO. Op grond van de zogeheten “Regeling tijdelijke inhouding” die onderdeel uitmaakt van de toepasselijke CAO, mochten de werkgevers een deel van het CAO-loon inhouden. De werknemers brachten dit loonoffer omdat de betreffende bedrijfstak (de zeesleepvaart) in financiële moeilijkheden zat. De Regeling bepaalt dat deze inhouding moet worden gestopt zodra er winst wordt gemaakt. Tussen de werkgevers en de vakvereniging ontstond een geschil over de vraag wanneer er sprake is van het maken van winst als bedoeld in de Regeling. De vakbond stelt dat daarvan sprake is zodra in enige boekhoudkundige periode winst wordt behaald. Nu zulke winst is behaald, stellen zij dat de inhoudingen nadien ten onrechte hebben plaatsgevonden. De werkgevers menen echter dat pas van winst sprake is als de tijdens de looptijd van de CAO opgelopen verliezen zijn gecompenseerd. De Rechtbank Rotterdam ging er vanuit dat het volgens de Regeling moet gaan om winst met een in redelijkheid te verwachten duurzaam karakter. De Rechtbank acht voor die uitleg de kennelijke strekking van de Regeling - het loonoffer heeft als doel een noodlijdende sector te helpen overleven - van belang en wees de eisen af. Tip: Het loonoffer dient om de ergste financiële nood te lenigen. De praktijk wijst echter regelmatig uit dat het bedrijf dat niet meer aan zijn arbeidsvoorwaarden kan voldoen en daarom moet grijpen naar dit ultimum remedium, niet veel bestaansrecht heeft. Een incidentele inhouding, zoals in het voorbeeld van Nedstaal, kan een bedrijf echter over het dode punt heen helpen. Mocht toch worden gekozen voor structurele maatregelen in de personeelskostensfeer, zorg er dan voor dat het basissalaris van de werknemers zo min mogelijk wordt aangetast, om eventuele uitkeringsrechten te waarborgen. |