Kamerbeek Fillet advocaten arbeidsrecht ondernemingsrechtStilzitten2 april 2003 Wanneer kan er van worden uitgegaan dat een werknemer zijn recht op loon heeft verwerkt? Een werknemer is in dienst bij Kimberly-Clark. Dit dienstverband eindigt met ingang van 1 december 1997. De werknemer stelt dat aan hem in de periode van 1 januari 1995 tot en met 1 december 1997 niet de periodieke salarisverhogingen zijn uitbetaald. Deze stopzetting was het gevolg van een eenzijdig besluit van de werkgever, om de periodieke CAO-verhogingen niet meer automatisch door te voeren bij personeelsleden die (vanwege de hoogte van hun salaris) buiten de CAO vallen. Nu de werkgever weigerde om dat loon uit te betalen, vorderde de werknemer in rechte hem dit alsnog te voldoen. De werkgever verweerde zich daartegen, stellende dat sprake is van rechtsverwerking nu de werknemer meer dan anderhalf jaar had gewacht met het aanhangig maken van zijn vordering. Door “stil te zitten”, heeft de werknemer zijn rechten verwerkt. De rechtbank te Roermond honoreerde in hoger beroep het beroep van de werkgever op rechtsverwerking. Daarbij wees de rechtbank op het feit dat de werknemer ongeveer anderhalf jaar had stilgezeten, terwijl hem van diverse kanten, waaronder de ondernemingsraad en de vakorganisaties, was aangegeven actie te ondernemen tegen deze eenzijdige actie van de werkgever. Van dit oordeel ging de werknemer in cassatie bij de Hoge Raad. En met succes. De Hoge Raad leest de uitspraak van de rechtbank zo, dat daarin werd aangenomen dat bij Kimberly-Clark het gerechtvaardigd vertrouwen was ontstaan dat de werknemer zijn bezwaar tegen de loskoppeling van de periodieke CAO-salarisverhogingen van het boven-CAO salaris, had laten rusten. Maar, zo overweegt de Hoge Raad, voor het aannemen van zodanig vertrouwen is enkel tijdsverloop niet toereikend. Van rechtsverwerking kan slechts sprake zijn, zo blijkt uit andere uitspraken van de Hoge Raad, bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden. Zo oordeelde de Hoge Raad eerder wel tot rechtsverwerking van een loonvordering, toen de werknemer telkenmalen bij de werkgever reclameerde dat zijn salaris niet werd verhoogd conform hetgeen was overeengekomen, en de werkgever vervolgens gedeeltelijk tegemoetkwam aan de bezwaren, waarna de werknemer tot na beëindiging van het dienstverband niets meer liet horen. Ook honoreert de Hoge Raad een beroep op rechtsverwerking indien door een verlate claim van de werknemer de positie van de werkgever onredelijk wordt benadeeld. Aldus de Hoge Raad in de situatie dat de werkgever in verband met een budgetteringssysteem niet tijdig maatregelen meer kon treffen om de financiële gevolgen van een claim te ondervangen. Een loonvordering door de werknemer na beëindiging van het dienstverband zal menig werkgever niet onbekend voorkomen. Dit verlate tijdstip laat zich verklaren door de angst van de werknemer om de arbeidsrelatie op het spel te zetten. Uit het bovenstaande blijkt dat een beroep op rechtsverwerking, de werkgever slechts in uitzonderingsgevallen zal beschermen. De werkgever wordt in beginsel slechts “beschermd” door de geldende verjaringstermijnen. Voor een loonvordering is deze termijn vijf jaar na het ontstaan van de loonaanspraak. Tip: Denk niet dat een “stilzittende” werknemer zijn rechten snel verspeelt. Daar is méér voor nodig. Vaak vijf jaar! |