Kamerbeek Fillet advocaten arbeidsrecht ondernemingsrecht


Reisafstanden voor werknemers: wat mag de werkgever verlangen?


2 juni 2004 

Het wijzigen van de standplaats van de werknemer door de werkgever, bijvoorbeeld vanwege een bedrijfsverhuizing, houdt een eenzijdige wijziging in van de arbeidsovereenkomst. Op grond van art. 7:611 B.W. (goed werknemerschap) en het Taxi Hofman-arrest van de Hoge Raad moet de werknemer positief reageren op redelijke voorstellen van de werkgever die verband houden met gewijzigde omstandigheden op het werk, tenzij aanvaarding van dat voorstel in redelijkheid niet van de werknemer kan worden gevergd, oftewel: wat moet een werknemer accepteren?

De civiele rechter beantwoordt deze vraag veelal op het moment dat ontslag van de werknemer onontkoombaar is omdat die niet wil meewerken aan een wijziging van de standplaats, waarbij de rechter moet oordelen over het recht op vergoeding voor de werknemer. De rechtspraak is zeer (!) casuïstisch, doch er zijn enige algemene lijnen te ontdekken. Een werknemer kan gehouden worden om een extra reistijd te accepteren van drie tot vier (of bij uitzondering zelfs vijf) uren per dag dan wel dient hij bereid te zijn te verhuizen. Dit geldt eerder indien de werkgever een compensatieregeling aanbiedt, zoals een reis- of verhuiskostenvergoeding, een afbouwregeling waarbij reistijd als werktijd wordt beschouwd, minder maar langere werkdagen, of gedeeltelijke thuis werken. Accepteert de werknemer onder deze omstandigheden de gewijzigde standplaats niet, dan verkleint dit zijn aanspraak op een vergoeding bij ontslag. Dit geldt ook indien de werkgever kan aantonen dat hij heeft gezocht naar een vervangende passende functie op een andere locatie. Factoren die de aanspraken van de werknemer op een vergoeding kunnen vergroten, zijn onder meer lichamelijke beperkingen die lang reizen bemoeilijken, sociale omstandigheden die de werknemer aan een standplaat binden (bijvoorbeeld de opvang van kinderen), een lange en goede staat van dienst, en inspanningen aan zijn zijde om elders te kunnen werken.

In dit verband mag ook worden gewezen op de Richtlijn Passende Arbeid bij Werkloosheid 1996 waarin criteria zijn opgenomen die aangeven wat van een werkloze werknemer verlangd kan worden in relatie tot het aanvaarden van een werkaanbod. De richtlijn bepaalt dat tijdens het eerste halfjaar van werkloosheid een werkaanbod gerelateerd aan de reisduur passend is, voor zover de reisduur niet méér bedraagt dan rond de twee uren per dag, tenzij in het oude beroep langere reistijden voor betrokkene gebruikelijk waren. Bij langere werkloosheid kunnen langere reistijden met een maximum van rond de drie uren per dag worden verlangd alsmede kan verhuizen aan de orde zijn. Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat onder omstandigheden ook een reisduur van vier uren per dag acceptabel kan zijn.

Wij troffen geen rechtspraak aan ten aanzien van de invloed van een clausule in de arbeidsovereenkomst die bepaalt dat de werknemer op verzoek van de werkgever zijn werkzaamheden op een andere standplaats zal moeten voortzetten. In beginsel lijkt echter een dergelijk eenzijdig wijzigingsbeding de werkgever meer vrijheid te geven tot wijziging van de standplaats.

 

Tip: kom met uw werknemer overeen dat de standplaats kan worden gewijzigd en biedt in voorkomend geval de werknemer een tegemoetkoming.