Kamerbeek Fillet advocaten arbeidsrecht ondernemingsrecht


Informatieplicht werknemer bij einde arbeidsovereenkomst


3 maart 2004

Tijdens ons seminar van 2003 bespraken wij onder meer de informatieplicht van de werknemer tijdens onderhandelingen met zijn werkgever over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, en/of tijdens de gerechtelijke procedure tot ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst. Is de werknemer gehouden de werkgever en/of de rechter te informeren over het feit dat hij reeds (uitzicht op) een nieuwe baan heeft? Deze omstandigheid is immers van belang bij het bepalen van de hoogte van de afvloeiingsregeling. In de lagere rechtspraak werd algemeen aangenomen dat de werknemer indien daarnaar gevraagd wordt, gehouden is de werkgever of de rechter naar waarheid te antwoorden. Jokt de werknemer bij de beantwoording van deze vraag, dan kan de werkgever de beëindigingsovereenkomst, zo die is tot stand gekomen, achteraf op grond van bedrog vernietigen, of de rechter kan de ontbindingsuitspraak op verzoek van de werkgever op dezelfde grond herroepen. Of de werknemer ook uit zichzelf gehouden is de werkgever of de rechter te informeren over zijn (uitzicht op) een nieuwe baan was tijdens ons seminar nog niet duidelijk. De Hoge Raad lijkt een vingerwijzing te hebben gegeven in zijn uitspraak d.d. 19 december 2003.

Deze uitspraak betrof een werkneemster in dienst van de Rabobank Gorinchem. Op initiatief van de bank werd tussen partijen overeenstemming bereikt over de beëindiging van het dienstverband onder toekenning van een vergoeding van EUR 13.000,-. Op verzoek van de bank heeft de kantonrechter vervolgens in een pro forma-procedure de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 augustus 2002 ontbonden en aan werkneemster voormelde vergoeding toegekend. Tijdens de onderhandelingen over de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst solliciteerde werkneemster bij onder meer de Rabobank Altena-Biesbosch die haar vervolgens aanbood bij haar in dienst te treden. De Rabobank Gorinchem kwam hier na de uitspraak achter, vernietigde de beëindigingsovereenkomst wegens bedrog en verzocht de kantonrechter daarop de uitspraak te herroepen en alsnog te bepalen dat aan werkneemster geen vergoeding zou toekomen. De bank stelde daartoe dat werkneemster tijdig melding had moeten maken van dit aanbod. De kantonrechter willigde het verzoek van de bank in en oordeelde dat werkneemster genoemde informatie inderdaad niet had mogen verzwijgen.

De Hoge Raad heeft in zijn nadrukkelijk beperkte cassatietoetsing het oordeel van de kantonrechter niet onbegrijpelijk geacht en het overigens, als van feitelijke aard, niet op juistheid onderzocht. Dat zou kunnen betekenen dat de Hoge Raad uitgaat van een ongevraagde informatieplicht van de werknemer.

Tip: Tip is deze keer het citaat van Jean Anouilh: “Niets is waar behalve wat niet gezegd werd.”