Kamerbeek Fillet advocaten arbeidsrecht ondernemingsrecht


Inlener of werkgever?


3 juli 2002

Op grond van welke criteria kan worden gezegd dat een bij een opdrachtgever geplaatste werknemer geen werknemer meer is van de uitlener, maar van de inlener? Over deze vraag gaat het arrest van de Hoge Raad van 5 april 2002.

Malhi was begin 1990 in dienst getreden bij een schoonmaakbedrijf (De Gast) en werd als schoonmaker te werk gesteld bij ABN-AMRO. Hij viel toen onder de Schoonmaak-CAO. Na ongeveer een halfjaar was Malhi op initiatief van de ABN-AMRO andere werkzaamheden gaan verrichten en uiteindelijk terechtgekomen op de afdeling kantoormachines met als taak het beheren van het meldpunt en het verhelpen van kleine storingen. Ook op initiatief van ABN-AMRO was zijn salaris (maar niet de secundaire arbeidsvoorwaarden) vanaf 1 november 1993 mede bepaald aan de hand van de Bank-CAO. Per 1 juli 1995 vervielen zijn werkzaamheden bij de bank. Tot dat moment leverde hij wekelijks zijn werkbriefjes in bij De Gast.

Malhi vorderde vervolgens een verklaring voor recht dat met in-gang van 1 januari 1991, althans met ingang van enige latere datum, tussen hem en ABN-AMRO een arbeidsovereenkomst was ontstaan. Kantonrechter en rechtbank honoreerden die vordering, en wel met ingang van 1 november 1993. De rechtbank onderzocht de vordering aan de hand van de klassieke criteria, arbeid, gezag en loon. Met betrekking tot de gezagsverhouding oordeelde de rechtbank dat de zuivere inleenconstructie aan betekenis had ingeboet ‘naarmate er daadwerkelijk een gezagsverhouding tussen de bank en Malhi is ontstaan en die tussen De Gast en Malhi op de achtergrond is geraakt’.

Hoewel de betaling van het loon onverminderd via De Gast liep, zag de rechtbank in een aantal specifieke omstandigheden, met name dat Malhi vanaf 1 november 1993 deels overeenkomstig de Bank-CAO werd beloond, reden om te oordelen dat ‘De Gast in de onderhavige constructie niet meer dan een administratieve functie vervulde’.

De Hoge Raad casseerde het vonnis. Hetgeen de rechtbank had overwogen over de gezagsverhouding, was volgens de Hoge Raad net zo goed te verenigen met het voortduren van de inleenverhouding. Sterker nog, volgens de Hoge Raad verzet de rechtszekerheid zich tegen een geruisloze vervanging van de inleenverhouding door een arbeidsovereenkomst.

Noot: De Hoge Raad houdt vast aan de contractuele uitgangspunten. Die kunnen niet zomaar opzij worden gezet. Nu de positie van de uitzendkracht wettelijk is verankerd en de CAO(’s) voor uitzendkrachten aan langdurige uitzendkrachten in toenemende mate bescherming bieden, is er voor die uitzendkrachten wellicht minder reden hun toevlucht te zoeken tot de inlener, indien deze de uitzendkracht bedankt. In elk geval is het duidelijk dat vorderingen tegen de inlener niet snel gehonoreerd zullen worden.