Kamerbeek Fillet advocaten arbeidsrecht ondernemingsrecht


Wet Aanpassing Arbeidsduur: stand van zaken


3 juli 2003

Op grond van de WAA kan een werknemer de werkgever verzoeken om zijn aantal arbeidsuren uit te breiden of juist te verminderen. De werkgever moet een dergelijk verzoek toewijzen, tenzij zwaarwegende bedrijfsbelangen zich daartegen verzetten. Alvorens een verzoek kan worden toegewezen, moet aan een aantal formaliteiten zijn voldaan. De werknemer moet tenminste één jaar in dienst zijn, het WAA-verzoek moet schriftelijk en tenminste vier maanden vóór de beoogde ingangsdatum zijn ingediend, en de werknemer mag een tweede verzoek om aanpassing eerst indienen nadat een periode van twee jaar na afwijzing of inwilliging van het vorige WAA-verzoek is verstreken. De regel geldt alleen voor werkgevers met tien of meer werknemers in dienst. Kleinere werkgevers moeten een eigen regeling treffen.

De rechter lijkt hoge eisen te stellen aan de procedurele juistheid van het verzoek, getuige een uitspraak van de kantonrechter Zutphen van 26 november 2002. In deze zaak vroeg de werknemer in februari/maart 2001 mondeling om vanaf 1 augustus 2001 minder uren te werken. Bij brief van 23 april 2001 bevestigde hij dit verzoek schriftelijk. In juli 2001 wees de werkgever het verzoek af. Daarop diende de werknemer het verzoek nog een keer in, bij brief van 15 augustus 2001, dit keer met expliciete verwijzing naar de WAA. De rechter oordeelde dat het eerste verzoek niet als een WAA-verzoek kon worden beschouwd omdat het mondeling was gedaan. De schriftelijke verzoeken van 23 april en 1 augustus 2001 werden niet vier maanden voor de gewenste ingangsdatum – 1 augustus 2001 – gedaan en werden daarom ook niet als een WAA-verzoek aangemerkt. De rechter motiveert dit oordeel door te wijzen op de sanctie op het niet tijdig reageren door de werkgever op een WAA-verzoek, te weten dat het verzoek dan geacht moet worden te zijn toegewezen.

Een inhoudelijke toets van een WAA-verzoek valt – blijkens de rechtspraak – meestal uit in het voordeel van de werknemer: de rechter neemt niet snel zwaarwegende bedrijfsbelangen van de werkgever aan die zich tegen toewijzing van een verzoek verzetten. De kantonrechter Opsterland achtte in een uitspraak van 4 februari 2003 deze zwaarwegende bedrijfsbelangen wèl aanwezig. De werkgever achtte een arbeidsduur van minimaal 24 uur per week noodzakelijk omdat het bij een kortere arbeidsduur te lang zou duren voordat een werknemer vertrouwd was met een nieuw product, hetgeen weer tot te hoge kosten zou leiden en daarmee tot het onrendabel worden van het productieproces. De rechter bracht een bezoek aan de fabriek en toonde zich overtuigd door de argumenten van de werkgever.

Ten slotte hecht de rechter vaak belang aan de omstandigheid dat een werknemer heeft aangetoond dat vermindering van de arbeidsduur in de praktijk werkt doordat de werknemer voorafgaand een periode zwangerschaps- en ouderschapsverlof en eventueel vakantiedagen opneemt. Aldus de kantonrechter Amsterdam in een uitspraak van 20 november 2002 inzake een toewijzing van een WAA-verzoek van een unit-coach stewardessen bij de KLM.