Kamerbeek Fillet advocaten arbeidsrecht ondernemingsrechtUitbetaling vakantiedagen3 december 2003 Wat tijdens de arbeidsovereenkomst (gedeeltelijk) niet mag, mag aan het eind van de arbeidsovereenkomst wel: het uitbetalen in geld van nog openstaande vakantiedagen. Bij een conflictueuze beëindiging van de dienstbetrekking – overigens dan niet alleen – leidt een vordering van de werknemer tot uitbetaling van vakantiedagen nog al eens tot een discussie over het aantal openstaande dagen. In beginsel dient de werknemer het door hem gestelde tegoed te bewijzen indien de werkgever gemotiveerd betwist dat aan de werknemer nog vakantiedagen toekomen. Een simpele ontkenning van de werkgever volstaat echter niet: de wetgever gaat er van uit dat de werkgever verplicht is administratie van de genoten en openstaande vakantiedagen bij te houden. Overlegt de werkgever deze documentatie niet dan loopt hij in een procedure het risico dat de rechter de vordering van de werknemer toewijst. Een recente uitspraak van de Hoge Raad toont echter aan dat het bestaan en de omvang van deze motiverings- en documentatieplicht van de werkgever afhankelijk is van de vraag wat de arbeidsovereenkomst omtrent het opnemen van vakantiedagen en het administreren daarvan inhield of meebracht. In deze uitspraak d.d. 12 september 2003 claimde de werknemer van zijn werkgever na de ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst over de jaren 1995 tot en met 2000 de uitbetaling van 25 vakantiedagen per jaar (totaal f.20.480,- bruto), stellende dat hij gedurende deze dienstbetrekking nimmer vakantie had genoten. De werkgever betwistte dat de werknemer geen vakantie opnam doch beschikte niet over documentatie om aan te geven wanneer de werknemer zijn vakantiedagen had opgenomen. De werkgever wees er ter recht-vaardiging op dat de onderneming speciaal was opgericht om de werknemer in staat te stellen activiteiten te ontplooien op het gebied van de meubelimport, waarbij de werknemer vaak in het buitenland verbleef, zijn activiteiten met een grote mate van zelfstandigheid mocht uitvoeren, en ook uitvoerde, zonder dat hij een urenverantwoording behoefde af te leggen. De rechtbank honoreerde dit verweer van de werkgever niet en achtte het door de werknemer gevorderde aantal vakantiedagen onvoldoende betwist. De Hoge Raad zag voornoemde bijzonder omstandigheden echter als een voldoende gemotiveerde betwisting door de werkgever van het door de werknemer gestelde tegoed aan vakantiedagen en vernietigde de uitspraak van de rechtbank. Desalniettemin lijkt het raadzaam onder alle omstandigheden als werkgever een goede administratie van de vakantiedagen bij te houden. De rechter heeft immers de vrijheid de feiten te beoordelen. Afkoop van het wettelijk minimum aantal vakantiedagen (20 dagen per jaar bij een full-time dienstverband) tijdens de arbeidsovereenkomst is verboden. Boven dit wettelijk minimum gelegen vakantiedagen kunnen wèl worden afgekocht, maar dat dienen werkgever en werknemer schriftelijk overeen te komen. Indien de werknemer zijn minimum vakantieaanspraak over enig jaar niet opmaakt, kan het restant in een volgende jaar overigens ook worden afgekocht. Op deze wijze kan de werkgever een verregaande opbouw van vakantiedagen in de hand houden. Tip: Houd uw vakantieadministratie goed bij; denk ook eens aan afkoop gedurende de dienstbetrekking. |