Kamerbeek Fillet advocaten arbeidsrecht ondernemingsrechtWerkgeversaansprakelijkheid maakt zachte landing4 januari 2006 Sommigen, ook in kringen van de wetgever, zijn bezorgd over de vraag of de werkgeversaansprakelijkheid voor ‘bedrijfsongevallen’ in ruime zin ex art. 7:658 BW in de toekomst nog wel betaalbaar zal zijn. In onze Fax Flits nr. 8 van september 2005 “Olie op het vuur” schreven wij dat net als de olieprijs de werkgeversaansprakelijkheid tot ongekende hoogte is opgeklommen en dit was ook de toonzetting van Fax Flits nr. 10 van november 2005 “Liability unlimited?”. De uitspraak van de kantonrechter te Haarlem van 9 november 2005 geeft wellicht een kentering weer. Het ging om een stewardess van Martinair die schadevergoeding claimde omdat zij t.g.v. een ook door de captain als ‘hard’ ervaren landing een zenuwontsteking en lichte kneuzing in de ruggewervel/nek zou hebben opgelopen en enige tijd i.v.m. whiplash-achtige klachten arbeidsongeschikt was geweest. Volgens wetenschappelijk onderzoek kan bij een waarde van de verticale versnelling van 2,0 G of meer een landing als hard in de zin van “met mogelijke gevolgen voor inzittenden en/of toestel” worden aangemerkt. De waarde bij de landing bedroeg 1,84 G. Na de landing is een inspectie aan het toestel uitgevoerd. Daarbij zijn geen bijzonderheden aangetroffen. De kantonrechter wijst de vordering van de werkneemster af. Naar het oordeel van de rechter is het volstrekt niet duidelijk waar de werkgever in zijn zorgplicht nalatig zou zijn gebleven en wat de werkgever had moeten of kunnen doen om de beweerde nalatigheid op te heffen. Verder lijkt de landing volgens de voorgeschreven procedures te zijn ingezet en afgerond. Uit niets blijkt dat de vliegers geen of onvoldoende ervaring hadden om een toestel als waarmee de bewuste vlucht werd uitgevoerd te besturen. Van roekeloos of onvoorzichtig vlieggedrag is niet gebleken. Het vliegtuig voldeed aan de eisen die daaraan gesteld mogen en moeten worden, de zitplaats waar de werkneemster tijdens de landing op gezeten was, crew seat 21B, voldeed ook aan alle veiligheidsnormen, althans nergens blijkt uit dat dit niet het geval was. De werkneemster zelf was met betrekking tot de gang van zaken rond een landing voldoende geïnstrueerd en was ook geen onervaren stewardess. Van een tekortschieten in de zorgplicht zoals beschreven in art. 7:658 BW is daarom geen sprake geweest. Deze uitspraak is ook om een andere reden interessant. Meestal gaat de werkgeversaansprakelijkheid verder dan “gewone” aansprakelijkheid maar in deze casus lijkt het omgekeerde het geval. Immers, als een passagier door dezelfde harde landing dezelfde schade zou hebben opgelopen (gesteld dat het causaal verband zou zijn aangetoond), zou Martinair ex art. 8:81 c.q. 8:1393 BW ingevolge de gesloten overeenkomst van personenvervoer hiervoor wel aansprakelijk zijn. Met andere woorden: geen werkgeversaansprakelijkheid, wel vervoerdersaansprakelijkheid. |