Kamerbeek Fillet advocaten arbeidsrecht ondernemingsrechtOnvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever. C=3.4 januari 2007 Mevrouw Verwer (geboren in 1955) is sinds 1 mei 1996 bij de Nederlandse Brandwonden Stichting (NBS) te Beverwijk in dienst, laatstelijk als coördinator landelijke collecte. Vanwege een door NBS gewenste wijziging in de aansturing van de buitendienst is zij met ingang van 1 juni 2004 naast haar oorspronkelijke werkzaamheden belast met het aansturen van 13 regionale promotoren. Met ingang van 24 januari 2006 heeft zij zich ziek gemeld. Vervolgens is zij drie dagen per week op arbeidstherapeutische basis gaan werken. In gesprekken heeft de werkneemster aangegeven dat zij het aansturen van de promotoren een te zware belasting vindt. De werkgever heeft daarop voorgesteld dat mevrouw een assessment zal doen teneinde haar competenties en mogelijkheden in kaart te brengen. In dezelfde periode heeft de werkgever een advertentie in de landelijke dagbladen geplaatst voor de vacature van coördinator landelijke collecte. Mevrouw Verwer heeft daartegen geprotesteerd, maar de werkgever heeft niettemin een vervanger aangenomen voor de duur van een jaar. Mevrouw Verwer heeft vervolgens een voorlopige voorziening gevraagd, welke door de kantonrechter is geweigerd. Thans verzoekt de werkgever ontbinding waartoe hij aanvoert dat de verhouding tussen partijen ernstig verstoord is geraakt, met name door het door werkneemster opgestarte kort geding. De kantonrechter te Haarlem ontbindt op 3 oktober 2006 de arbeidsovereenkomst per 1 november 2006, nu met name de werkgever niet bereid is de arbeidsrelatie voort te zetten. Daarbij komt, naar het oordeel van de rechter, aan werkneemster een vergoeding toe. De werkgever heeft niet als een goed werkgever gehandeld door reeds tot werving van een vervanger over te gaan op een moment dat werkneemster nog steeds arbeidsongeschikt was. De werkgever had zijn inspanningen in de eerste plaats op de re-integratie van mevrouw Verwer moeten richten. Het valt haar niet te verwijten dat zij vervolgens een voorlopige voorziening heeft gevraagd. Overigens heeft de werkgever tijdens de behandeling van de voorlopige voorziening aangegeven zich te willen inspannen voor re-integratie van mevrouw, maar dit was blijkbaar niet waar, aangezien de werkgever nu zegt dat ten tijde van het kort geding de verhoudingen al verstoord waren. Al met al is de kantonrechter van oordeel dat de werkgever over de belangen van werkneemster heen is gewalst zonder in voldoende mate rekening te houden met haar arbeidsongeschiktheid, haar positie binnen NBS en haar kansen op de arbeidsmarkt. Onder deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat een vergoeding met correctiefactor C=3 op zijn plaats is. De vergoeding wordt daarom gesteld op (afgerond) € 180.000,-. Tip: Niet meewerken aan re-integratie van een zieke werknemer, het voor diens functie werven èn aannemen van een ander en ongeloofwaardige processtandpunten innemen, vormen de ingrediënten van een forse schade! |