Kamerbeek Fillet advocaten arbeidsrecht ondernemingsrecht


Actie!


4 maart 2003

Als een zieke werknemer meldt dat hij passende arbeid kan verrichten, moet daar door de werkgever actief op worden ingesprongen. Dit op straffe van mogelijke (langdurige) loondoorbetaling, zelfs als achteraf mocht blijken dat er geen passende arbeid voorhanden was.

In een zaak die onlangs door de Hoge Raad is beoordeeld, ging het om een werknemer die in 1991 arbeidsongeschikt raakte. Deze hervatte zijn werkzaamheden een jaar later op arbeidstherapeutische basis, maar werd door de werkgever na een jaar weer van dat werk afgehaald, omdat hij hem niet arbeidsgeschikt achtte. Tot tweemaal toe stelde de werkgever zijn werknemer hierna enkele weken tewerk in verschillende functies, maar beide keren werd dat weer door de werkgever beëindigd. In 1994 stopte de werkgever de suppletiebetalingen op de WAO uitkering van de werknemer. De werknemer verklaarde zich vervolgens bereid en beschikbaar om passend werk te verrichten, ook op veel lager niveau dan zijn oude functie. In een gerechtelijke procedure vorderde hij wedertewerkstelling en loondoorbetaling. De kantonrechter wees deze vorderingen in 1997 toe, waarbij hij overwoog dat onaannemelijk is dat in een grote organisatie zoals die van deze werkgever, in een periode van ruim vier jaar, slechts twee keer een functie kon worden gevonden of gecreëerd, en dat in de twee gevallen waarin dat wèl was gebeurd, de tewerkstelling te kort heeft geduurd om de conclusie te rechtvaardigen, dat in het geheel geen oplossing is te vinden.

In hoger beroep droeg de rechtbank de werkgever op om een arbeidsintegratiebureau de reïntegratie van de werknemer te laten begeleiden. Dit bureau concludeerde na onderzoek dat zij een daadwerkelijk geslaagde reïntegratie niet kon garanderen. De rechtbank wees vervolgens de vordering van de werknemer tot tewerkstelling af, omdat is komen vast te staan dat herplaatsing redelijkerwijs niet van de werkgever kan worden gevergd. Echter, de vordering tot loondoorbetaling werd toegewezen, en wel tot de datum van het vonnis (28 februari 2001).

De Hoge Raad oordeelt hierover als volgt. De arbeidsongeschikte werknemer die zelf aanbiedt ander passend werk te verrichten, heeft recht op loondoorbetaling, zolang de werkgever zonder deugdelijke grond in gebreke blijft van dat aanbod gebruik te maken. Na zo’n bereidverklaring door de werknemer dient de werkgever zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is te onderzoeken of andere passende arbeid voorhanden is en daarover duidelijkheid te verschaffen aan de werknemer. Blijft de werkgever daarmee in gebreke dan moet worden aangenomen dat hij zonder deugdelijke grond geen gebruik maakt van het aanbod van de werknemer, zodat de werknemer recht heeft op loondoorbetaling. Oók als later blijkt dat geen passende arbeid voorhanden is.

Met deze uitspraak wordt de actieve onderzoeks- en begeleidingsplicht van de werkgever benadrukt. Schiet de werkgever daarin tekort, dan kan op hem de plicht rusten het loon door te betalen. In de onderhavige zaak ruim zes jaar lang!

Tip: De Wet Poortwachter heeft in 2002 een aantal reïntegratieverplichtingen van de werkgever (verder) ingevuld. Maar de open norm van ‘inspanningsplicht’ blijft gelden. Wees alert op een actief reïntegratiebeleid; een passieve houding kan worden afgestraft.