Kamerbeek Fillet advocaten arbeidsrecht ondernemingsrechtCaution wet floor4 april 2007 In tijden dat het schoonmaken van gebouwen, kantoren, supermarkten etc. voornamelijk overdag plaatsvindt worden ook medewerkers en klanten e.d. steeds meer geconfronteerd met gedweilde, dus natte, vloeren. Dit verhoogt de kans op uitglijden en op ongelukken. Wie draagt daarvan het risico? Het overkwam een medewerker van de gemeente Zaandam die nietsvermoedend uit een spreekkamer komt en uitglijdt op de geglazuurde plavuizen van de centrale hal en daarbij een gecompliceerde beenbreuk oploopt. Het schoonhouden van het kantoor is door de gemeente uitbesteed aan een schoonmaakbedrijf en een medewerker van dat bedrijf dweilt al sinds enkele maanden op elke dinsdagochtend de vloer van de hal. Hij maakt daarbij gebruik van een blauwe mop-emmer met aan beide zijden onder elkaar de woorden ‘caution wet floor’ waarboven dan een driehoek is afgebeeld met daarin een uitroepteken. De onfortuinlijke ambtenaar verwijt het schoonmaakbedrijf onzorgvuldig gedrag en de laatste verwijt de ambtenaar eigen schuld. De rechtbank Amsterdam oordeelt op 22 november 2006: ‘Vooropgesteld wordt dat het enkele feit dat er een verhoogde kans is op gevaar onvoldoende is om te concluderen dat sprake is van een ongeoorloofde risicoverhoging. In het verlengde hiervan gaat een eventuele waarschuwingsplicht niet zo ver dat er geen enkel risico meer mag zijn. De gewraakte handeling in deze zaak is het dweilen van de hal door het schoonmaakbedrijf op dinsdagochtend 23 mei 2000. De vraag is derhalve of het schoonmaakbedrijf met deze handeling voor benadeelde een groter risico in het leven heeft geroepen dan naar de omstandigheden redelijkerwijs verantwoord is en waarop een normaal mens bedacht moet zijn. De rechtbank acht daarbij de volgende omstandigheden van belang. Het is niet ongebruikelijk dat in kantoren regelmatig vloeren worden gedweild, zeker niet als het de centrale hal betreft bij de entree van het kantoor. Het tijdstip waarop de vloer werd gedweild, omstreeks 9.30 uur, is ook niet ongebruikelijk. Bovendien heeft het ongeval plaatsgevonden op een dinsdag. Volgens de stellingen van benadeelde was dit voor de datum van het ongeval al gedurende 18 weken de vaste dag waarop (de medewerker van) het schoonmaakbedrijf de hal diende te dweilen. Als waarschuwing voor mogelijke gladheid gebruikte het schoonmaakbedrijf de emmer. Op het moment dat benadeelde de hal betrad, stond de emmer in de hal op ongeveer vijf meter afstand van benadeelde. Ter gelegenheid van de comparitie heeft benadeelde verklaard dat, als hij bij het betreden van de hal had gekeken, hij de emmer had kunnen zien. Gelet op de geringe omvang van de hal en de voornoemde verklaring van benadeelde is de rechtbank van oordeel dat in dit geval een verdergaande waarschuwing dan het plaatsen van de emmer in redelijkheid niet noodzakelijk was. Van onrechtmatigheid is derhalve geen sprake. Dat benadeelde bij het betreden van de hal de emmer niet heeft gezien, ten val is gekomen en daardoor zijn been heeft gebroken dient daarom voor zijn eigen risico te blijven.’ Tip: Wat ons betreft een gelegenheidsuitspraak waar geen peil op te trekken valt. Werkgevers doen er goed aan duidelijker maatregelen te treffen en bijvoorbeeld het belopen van het natte vloerdeel m.b.v. linten te voorkomen. |