Aansprakelijkheid orkest voor gehoorschade cellist
(BW art 7:658)
4 juni 2008
Een cellist, sinds 1974 in dienst bij het Gelders Orkest, heeft zijn werkgever aansprakelijk gesteld voor de gehoorschade die naar zijn zeggen het gevolg is van de geluidsoverlast die hij als cellist tijdens de repetities en concerten heeft ondervonden. De kantonrechter heeft professor Graamans en de heer De Ruiter, directeur van het Koninklijk Conservatorium te Den Haag, om een deskundigenbericht verzocht. Graamans heeft vastgesteld dat de werknemer aan een gehoorbeschadiging lijdt die het gevolg is van het spelen als cellist in een symfonieorkest. De Ruiter heeft verklaard dat het mogelijk is om de werkplek van orkestleden zodanig te organiseren dat het risico van geluidsoverlast, veroorzaakt door blazers, minder wordt, en dat deze maatregelen ook door orkesten worden getroffen. De kantonrechter te Arnhem heeft het orkest op 27 oktober 2003 veroordeeld tot vergoeding van de schade van de werknemer.
Op het hoger beroep van het orkest overweegt het hof te Arnhem dat voldoende is vast komen te staan dat er causaal verband bestaat tussen de gehoorschade van de werknemer en zijn werkzaamheden bij het orkest. Dit blijkt uit het onderzoek van de KNO-arts, de brief van de medische adviseurs van de werknemer naar aanleiding van het audiologisch onderzoek van de KNO-arts, de rapportage van de arts Van Hees die is gepromoveerd op gehoorschade bij musici en het deskundigenrapport van professor Graamans.
Het hof is verder van oordeel dat het orkest in ieder geval eind jaren tachtig, begin jaren negentig, op de hoogte had moeten zijn van de risico's van schadelijke geluidsniveaus in orkesten. De werknemer is langdurig blootgesteld aan schadelijk geluid. Hij zat ook op de plek waarop hij relatief gezien aan veel decibellen werd blootgesteld, namelijk direct voor de koperblazers. Het orkest was dus verplicht om geëigende maatregelen te nemen. Uit de stellingen van het orkest volgt dat zij wel enige maatregelen heeft getroffen. De aard en omvang daarvan kan echter thans niet worden vastgesteld. Daarom kan thans niet worden beoordeeld of het orkest aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Het orkest heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt waarom in verschillende onderzoeksrapporten en in het onderzoeksvoorstel, zoals verstuurd aan de Commissie Schadelijk Geluid, voorgestelde maatregelen niet eerder door hem konden worden genomen. Desondanks, omdat zij in dit opzicht nadrukkelijk bewijs heeft aangeboden, laat het hof het orkest tot dat bewijs toe. Volgt een bewijsopdracht.
Tip: Ook, en juìst, een orkest dient alle mogelijke (vergelijk daartoe de richtlijnen van de Commissie Schadelijk Geluid) voorzorgsmaatregelen t.z.v. de gehoorbescherming van zijn orkestleden te treffen. Hierin verschilt een orkest niet van enig ander bedrijf. Gehoorschade is één van de grootste oorzaken van menselijke schade, veel schade is ontstaan door te luisteren naar te harde muziek.