Kamerbeek Fillet advocaten arbeidsrecht ondernemingsrecht


Philips blijft gehouden tot chauffeursrol


5 juli 2006

Philips kent sinds jaar en dag een zogeheten Groepsvervoerregeling, waarbij (groepen) werknemers voor hun woon- en werkverkeer gebruik kunnen maken van door Philips ingezette en betaalde (touringcar-)bussen. Deze Groepsvervoerregeling is opgenomen in de richtlijn arbeidsvoorwaarden van Philips. In april heeft Philips aan de deelnemers van de betreffende regeling te kennen gegeven dat deze regeling per 1 januari zal worden afgeschaft. Als reden voor het afschaffen van de regeling geeft zij onder andere de te hoge kosten die gemoeid zijn met het in stand houden van de regeling. Ter compensatie is een financiële regeling geboden en voorts is er een carpoolprogramma gecreëerd. Door het wegvallen van de regeling ontstaan ernstige vervoersproblemen, omdat veel deelnemers zullen worden geconfronteerd met onaanvaardbare lange reistijden.

FNV Bondgenoten en vijf werknemers vorderen dat Philips de Groepsvervoerrregeling in stand laat, nu het haar niet is toegestaan deze eenzijdig te wijzigen.

De Kantonrechter te Eindhoven stelt vast dat de regeling geen ‘faciliteit’ is zoals Philips stelt, maar een arbeidsvoorwaarde. De Kantonrechter geeft hiervoor twee redenen: als eerste blijkt dit uit het feit dat de regeling is opgenomen in de Richtlijn Arbeidsvoorwaarden en ten tweede is de regeling door het jarenlange gebruik deel uit gaan maken van de arbeidsovereenkomst. In de richtlijn is weliswaar een wijzigingsmogelijkheid opgenomen, maar Philips kan daar geen beroep op doen daar deze eenzijdig is vastgesteld, niet is opgenomen in de schriftelijke arbeidsovereenkomsten van de vijf werknemers, geen grondslag vindt in de CAO en er geen overleg met de vakbonden heeft plaatsgevonden. De arbeidsovereenkomsten bevatten derhalve geen eenzijdig schriftelijk wijzigingsbeding, zoals genoemd in de wet.

Voor beoordeling van de eenzijdige wijziging is gekeken naar de maatstaven van de redelijkheid en billijkheid. De Kantonrechter heeft geoordeeld dat er geen financiële noodzaak voor afschaffing is, er onvoldoende onderbouwd is dat er sprake is van ‘organisatorische onbeheersbaarheid’ en dat de door Philips aangereikte alternatieven geen adequate oplossing bieden voor de ernstige vervoersproblemen die ontstaan als gevolg van de afschaffing van de regeling.

Dit alles leidt tot de conclusie dat niet is gebleken van zodanige zwaarwegende omstandigheden aan de zijde van Philips, dat handhaving van de Groepsvervoerregeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De Kantonrechter veroordeelt Philips bij wege van voorlopige voorziening tot handhaving van de Groepsvervoerregeling in zijn huidige vorm dan wel een soortgelijke feitelijke vervoersvoorziening op en na 1 januari.