Kamerbeek Fillet advocaten arbeidsrecht ondernemingsrechtGeen concurrentiebeding, toch onrechtmatige concurrentie5 september 2007 Over de (on)mogelijkheid van werknemers om hun ex-werkgever concurrentie aan te doen bestaat vaak misverstand. Onderstaande uitspraak van het Arnhemse hof van 17 juli jl. is hiervoor illustratief. Het hof stelt voorop dat tussen Luttikhuis (hierna: L.) en Tyco geen concurrentie- en/of relatiebeding is overeengekomen. Dit houdt in dat L. in beginsel met zijn bedrijf Cadi in concurrentie mag treden met Tyco. Maar dit betekent niet dat L. dit zonder meer kan doen. Onder omstandigheden kan de concurrentie van L. met Tyco immers onrechtmatig zijn. Volgens vaste rechtspraak is sprake van onrechtmatige concurrentie indien met gebruikmaking van kennis en gegevens over klanten opgedaan bij de voormalige werkgever, stelselmatig en substantieel actief onder klanten met een duurzaam karakter van de ex-werkgever wordt geworven. Daarvan is in dit geval naar het oordeel van het hof sprake. L. is van 21 mei 2002 tot 1 juli 2006 in dienst van Tyco geweest. In de maanden maart tot en met juni 2006 heeft L. in het kader van zijn (deeltijd)opleiding Technische Bedrijfskunde aan de Hogeschool te Enschede een ondernemingsplan geschreven voor een fictieve onderneming, die hij Cadi heeft genoemd. De doelstelling van het verkoopplan is "het werven van klanten voor de producten van CADI. Hierbij richt CADI zich op de volgende klanten: Maersk (Denemarken), ExxonMobil (Duitsland), NAM (Nederland), Total (Nederland & Indonesië), Wintershall (Nederland), GDF (Nederland) en BSP (Brunei)". Vervolgens maakt L. melding van de wijze waarop hij klanten voor de producten van CADI gaat werven: "Als startende onderneming zal CADI allereerst zijn klanten moeten werven. Voor CADI ligt de focus bij klanten waar een goede persoonlijke en zakelijke relatie ligt bij de beslissers. CADI heeft het voordeel dat er vanuit het verleden een goede relatie is opgebouwd bij deze bedrijven wat het makkelijker maakt een voet tussen de deur te krijgen". Ook heeft L. een zogenaamde klantenpyramide gemaakt. In de top van de pyramide zijn die klanten gesitueerd waarmee een "zeer goed netwerk van relaties" aanwezig is. Daartoe behoren Maersk Denemarken, NAM Nederland en BSP Brunei. Daaronder volgt een verdeling in "Groot" (met o.m. Total Nederland), "Middelgroot" (met de daarbij behorende bedrijven) en "Klein". Tyco heeft naar voren gebracht dat de relaties waarop Cadi zich zal gaan richten, bij uitstek belangrijke relaties van háár zijn. Het gaat erom of L. op basis van het verkoopplan, dat met gebruikmaking van de kennis die hij bij Tyco heeft opgedaan tot stand is gekomen, stelselmatig vaste klanten van Tyco wil gaan benaderen. Dat is het geval. Nadat L. Cadi had opgericht is hij Maersk (uit de categorie "Top") en Total (uit de categorie "Groot") gaan benaderen. Verder blijkt dat L. reeds tijdens zijn dienstverband met Tyco NAM Nederland - zijnde een vaste "Top"relatie van Tyco - heeft benaderd met de vraag of NAM geïnteresseerd zou zijn afsluiters van zijn nieuwe bedrijf af te nemen. Het hof is van oordeel dat L. onrechtmatig heeft gehandeld door reeds tijdens zijn dienstverband met Tyco het bedrijf Cadi op te richten en vervolgens met gebruikmaking van de bij Tyco opgedane relaties en kennis conform het door hemzelf opgestelde verkoopplan vaste klanten van Tyco te benaderen. |