Kamerbeek Fillet advocaten arbeidsrecht ondernemingsrechtOngelijk ongelijk behandelen5 oktober 2005 De kantonrechtersformule, de informele richtlijn van de Nederlandse kantonrechters voor de berekening van de eventuele financiële vergoeding ingeval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst, voorziet niet in bijzondere regels voor ‘bijzondere’ arbeidsovereenkomsten. Te denken valt bijvoorbeeld aan de arbeidsrelatie van een 65-plusser, en van een werknemer met een zogeheten WSW-dienstverband. Op verzoek van een gezondheidszorginstelling te Ermelo ontbond de kantonrechter te Harderwijk onlangs de arbeidsovereenkomst met een 67-jarige werknemer die op zijn 64e in dienst was getreden. De rechter kende daarbij aan de werknemer een vergoeding toe. De kantonrechtersformule werd daarbij zonder blikken of blozen uit de la getrokken en onverkort toepasselijk geacht, met inbegrip van de zogeheten leeftijdscorrectie zodat de dienstjaren vanaf het vijftigste leeftijdsjaar met twee werden vermenigvuldigd. Alle dienstjaren telden in dit geval dus dubbel mee. Wij hebben onze bedenkingen bij deze uitspraak. De kantonrechtersformule stelt weliswaar geen leeftijdsgrens aan werknemers en het arbeidsrecht houdt evenmin op bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, maar de vergoeding kent wel een plafond. De aan de werknemer toe te kennen vergoeding mag nl. maximaal gelijk zijn aan het salaris dat hij tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd zou genieten indien hij nog in dienst zou blijven. De strekking hiervan is dat de werknemer niet beter wordt van zijn ontslag. De rechter in de onderhavige zaak negeerde deze regel finaal. De kantonrechtersformule lijkt naar onze mening niet geschreven voor situaties als de onderhavige. Zij is ontworpen met het oog op de ‘reguliere’, nog niet pensioengerechtigde werknemer. De reeds gepensioneerde werknemer behoeft op het eerste oog ook geen (extra) bescherming meer in de vorm van een billijke vergoeding die toch vooral een tegemoetkoming is voor na einde dienstverband te verwachten inkomstenderving tot aan het vinden van een nieuwe baan. In een zaak die diende bij de rechtbank te Wageningen ging het om een zogeheten WSW-er. Een werkvoorzieningschap (zijnde een publiekrechtelijk lichaam) had een werknemer ontslagen vanwege problemen op de werkvloer. De arbeidsovereenkomst met deze werknemer viel onder de Wet Sociale Werkvoorziening. De instelling had deze werknemer bij het ontslag geen afvloeiingsregeling aangeboden. De werknemer wendde zich daarom tot de rechter en hij vorderde, stellende dat het hem gegeven ontslag kennelijk onredelijk was, een schadevergoeding. De rechter wees de vordering af. Hij overwoog dat de werkgever in deze geen commerciële onderneming is in de gangbare zin van het woord. Hij selecteert zijn werknemers ook niet zelf, maar moet deze aannemen op indicatie. Op een instelling zoals deze dient daarom, zo meende de rechter, niet spoedig zonder meer het stelsel van een vergoeding overeenkomstig de kantonrechtersformule te worden losgelaten, als het (al eens) tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst komt. Het ontbreken van een vergoeding maakte het gegeven ontslag in de ogen van deze rechter daarom niet kennelijk onredelijk. Tip: Ingeval van ‘bijzondere’ arbeidsovereenkomsten kan het de moeite lonen om te betogen dat de kantonrechtersformule niet zonder meer op dat bijzondere geval van toepassing is. |