Kamerbeek Fillet advocaten arbeidsrecht ondernemingsrecht


De CMG-zaak. Detachering = uitzending?


6 december 2002

Op 1 januari 1999 werd de uitzendovereenkomst, die voordien geen arbeidsovereenkomst was, “gepromoveerd” tot een (gekwalificeerde) arbeidsovereenkomst. Deze promotie betekende echter niet een integrale toepassing van de ontslagbeschermingsregels op deze uitzendovereenkomsten zoals die gelden bij “gewone” arbeidsovereenkomsten. Als bijvoorbeeld de inlener de inleenovereenkomst met de uitlener beëindigt tijdens de eerste zes maanden van de uitzendovereenkomst tussen uitlener en diens werknemer, eindigt deze laatste arbeidsovereenkomst zonder dat voorafgaande ontslagvergunning is vereist. Een andere uitzondering is dat ingeval van uitzendarbeid een bijzonder regime (“Bijlage B”) van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen van toepassing is. In die bijlage is geregeld dat, gelet op het specifieke driezijdige karakter van de uitzendrelatie, bij een ontslagvergunningsaanvraag door de uitlener wegens beëindiging van een inleenopdracht, toetsing aan het dienstjarenbeginsel niet plaatsvindt aan de hand van alle inleenopdrachten van de uitlener, maar is beperkt tot – kort gezegd – de inleenopdrachten met uitwisselbare functies binnen het inleenbedrijf waar de uitgeleende werknemer laatstelijk werkzaam was.

Automatiseringsbedrijf CMG wilde van deze “uitzendmogelijkheden” gebruik maken. CMG was geconfronteerd met beëindiging van een aantal automatiseringsopdrachten met als gevolg dat 110 ICT-consultants zonder werk kwamen te zitten. In april 2002 informeerde zij bij het CWI of een ontslagvergunningsaanvraag voor deze consultants in aanmerking kon komen voor analoge toetsing aan het dienstjarenbeginsel van Bijlage B. CMG vermeldde daartoe dat haar kernactiviteiten bestaan uit het op grond van door klanten verstrekte automatiseringsopdrachten tewerkstellen (detacheren) van haar consultants bij die klanten, welke situatie in grote mate lijkt op uitzendarbeid. Een verschil met de “klassieke” uitzendovereekomst is dat CMG feitelijk haar eigen bedrijfsactiviteiten (automatisering) bij haar klanten verricht met behulp van eigen werknemers. De “klassieke” uitzendovereenkomst kenmerkt zich juist door het bij klanten laten verrichten van werkzaamheden die de eigenlijke bedrijfsactiviteiten van die klanten uitmaken. Het CWI stelde zich echter op het standpunt dat sprake is van een uitzendrelatie, zodat Bijlage B rechtstreeks zou worden toegepast. De vakbonden vorderden vervolgens dat het CWI zou worden veroordeeld de algemene anciënniteitsregels toe te passen in plaats van die van Bijlage B. De voorzieningenrechter te Den Haag wees de vordering van de bonden af. Het gerechtshof te Den Haag heeft op 29 november jl. het vonnis bekrachtigd en daarmee het standpunt van het CWI nadrukkelijk – vooralsnog in kort geding – goedgekeurd.

Tip: Deze keer geen tip maar kritiek: Het als CMG-werknemer werken aan (en daardoor uitvoeren van) een aan CMG verstrekte automatiseringsopdracht ter plaatse van CMG’s opdrachtgever is ons inziens, hoe je het ook wendt of keert, geen uitzendarbeid. De uitspraak van het CWI achten wij onjuist. Wij begrijpen dan ook dat de minister van SZW nu aan de Stichting van de Arbeid “meer duidelijkheid” heeft gevraagd over de toepassing door het CWI van de ontslagregels van uitzendbureaus op bedrijven die hun personeel detacheren.