Kamerbeek Fillet advocaten arbeidsrecht ondernemingsrechtGeen einde van rechtswege van arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij het bereiken 65-jarige leeftijd.8 oktober 2008 Werkneemster, geboren op 27 januari 1942 (66 jaar oud), is sinds 17 juni 1985 in dienst bij de (rechtsvoorgangers) van de Centrale Organisatie Werk en Inkomen (COWI), laatstelijk als telefoniste/receptioniste. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat deze is aangegaan voor onbepaalde tijd met dien verstande dat de dienstbetrekking in ieder geval eindigt op de laatste dag van de maand waarin de werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt, zonder dat daartoe opzegging vereist is. In de meest recente cao die op de arbeidsverhouding van toepassing is, staat dat de arbeidsovereenkomst eindigt op de eerste van de maand, volgend op de maand, waarin de werknemer gebruik maakt van het ouderdomspensioen van ABP. Bij brief van 23 oktober 2006 heeft COWI aan werkneemster laten weten dat het dienstverband per 1 februari 2007 eindigt in verband met het dan bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Werkneemster heeft zich daartegen verzet en heeft in kort geding doorbetaling van loon gevorderd. Zij heeft ook geen pensioen aangevraagd en geniet derhalve geen pensioenuitkering. De voorzieningenrechter heeft haar vordering afgewezen (JAR 2007/117). Werkneemster is vervolgens een bodemprocedure begonnen bij de kantonrechter te Amsterdam. In diens vonnis d.d. 8 juli 2008 overweegt deze dat een arbeidsovereenkomst óf geldt voor bepaalde tijd, in welk geval zij in beginsel van rechtswege eindigt, óf voor onbepaalde tijd, in welk geval zij per definitie niet van rechtswege eindigt. Met dit uitgangspunt is onverenigbaar dat een voor onbepaalde tijd aangegane overeenkomst zou kunnen eindigen omdat zulks is vastgelegd in de arbeidsovereenkomst of in de cao Evenmin kan worden aangenomen dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden eindigt op grond van de COWI-cao, omdat het in strijd is met het gesloten systeem van beëindiging van arbeidsovereenkomsten. Als toch zou moeten worden aanvaard dat reeds bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst een einde bij 65 jaar kan worden overeengekomen, geldt in dit geval dat de tekst van de cao prevaleert. Nu deze uitgaat van ontslag wanneer de werkneemster van het ABP-pensioen gebruik gaat maken en de werkneemster dat niet heeft gedaan, is haar arbeidsovereenkomst blijven voortduren. Dit strookt met de recent in het maatschappelijk debat m.b.t. de pensioengerechtigde leeftijd te ontwaren tendens waarbij doorwerken na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar niet langer ondenkbaar, onbespreekbaar of onaanvaardbaar wordt geacht. Mede gelet op de toenemende vergrijzing en de omstandigheid dat mensen van 65 jaar, anders dan in de tijd dat deze leeftijd als de pensioengerechtigde leeftijd werd aangemerkt in de tweede helft van de 19e eeuw zeker niet "op" zijn wanneer zij niet een slijtend beroep als bijvoorbeeld bouwvakker hebben uitgeoefend, wordt het doorwerken na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar zelfs bevorderd. Werkneemster kon dus zeker uit het opnemen van deze bepaling in de cao afleiden dat het de bedoeling was van deze bepaling dat zij haar werkzaamheden kon continueren. |