Kamerbeek Fillet advocaten arbeidsrecht ondernemingsrechtVeranderingen bij de bewijslast van seksediscriminatie21 december 2000 Indien een werknemer in een gerechtelijke procedure met voldoende redenen omkleed stelt dat hij of zij is gediscrimineerd op grond van het geslacht en de rechter acht dit aannemelijk, dan verschuift de bewijslast ‘verplicht’ naar de werkgever. De werkgever dient dan vervolgens te bewijzen dat het beginsel van gelijke behandeling niet is geschonden. Dit is de kern van een wetsvoorstel dat door de Tweede Kamer in oktober van dit jaar is aangenomen en dat thans bij de Eerste Kamer ligt.Het wetsvoorstel implementeert deze regel zowel in de Wet Gelijke Behandeling als in Titel 7.10 van het Burgerlijk Wetboek. Er wordt alsdan een uitzondering gemaakt op de hoofdregel van ons bewijsrecht, die (zeer kort gezegd) neerkomt op: “wie stelt, moet bewijzen”. Hiermee voldoet de Nederlandse wetgever aan het bepaalde in de Europese Richtlijn 97/80/EG. Deze richtlijn regelt de verdeling van de bewijslast in gerechtelijke procedures waar sprake is van een conflict over schending van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het terrein van de arbeid. Het levert een versterking op van de processuele positie van degene die meent te zijn gediscrimineerd. Dit is in de meeste gevallen de werknemer. Achtergrond van de richtlijn is het feit dat het in de praktijk voor werknemers die te maken krijgen met seksediscriminatie moeilijk kan zijn om hun recht te effectueren omdat het bewijsmateriaal in handen is van de (toekomstige) werkgever. De Commissie Gelijke Behandeling in Utrecht hanteert deze bewijslastverdeling als beleid al jaren. Haar uitspraken zijn evenwel niet bindend: daarvoor moet men naar de civiele rechter. Die wordt daaraan nu dus ook gebonden. Onlangs werd de Commissie Gelijke Behandeling geconfronteerd met een klacht van een vrouwelijke dierenarts die stelde dat zij op grond van seksediscriminatie niet was gevraagd om toe te treden tot de dierenartsen-maatschap. Mannelijke collega’s, die na haar in dienst waren gekomen, waren wel uitgenodigd en waren inmiddels al jaren maat! De Commissie wees het verzoek af, nu weliswaar de maatschap een onzorgvuldige procedure had gevolgd ten aanzien van het al dan niet laten toetreden van de vrouwelijke dierenarts tot de maatschap – hetgeen een vermoeden van ongelijke behandeling doet ontstaan – maar door verzoekster onvoldoende feitelijkheden wa-ren aangevoerd die dit vermoeden bevestigden. Had de dierenarts het vermoeden van ongelijke behandeling meer kunnen onderbouwen dan zou de bewijslast geheel zijn omgekeerd. Tip: De civiele rechter zal steeds toetsen of de werknemer de gestelde seksediscriminatie voldoende heeft onderbouwd. Komt de rechter eenmaal tot het oordeel dat er grond is voor een vermoeden van ongelijke behandeling dan zal de werkgever dit moeten zien te ontkrachten. De werkgever dient hier rekening mee te houden. Zo dient hij in zijn personeelsbeleid alleen al de schijn van ongerechtvaardigd onderscheid te vermijden. |