Kamerbeek Fillet advocaten arbeidsrecht ondernemingsrechtAlgeheel rookverbod opgelegd27 april 2000 Op 25 april jl. is de Koninklijke PTT Post B.V. door de fungerend president van de rechtbank Breda op straffe van een dwangsom veroordeeld tot invoering van een algeheel rookverbod op haar postsorteercentrum te Breda, met uitzondering van een daartoe aangewezen rokersruimte waarvan niet-rokers geen last hebben.Het kort geding was aangespannen door een vrouwelijke voltijds postbesteller die sedert 1 februari 1988 bij de PTT in dienst is. Zij is persoonlijk overgevoelig voor tabaksrook en heeft zich al vanaf 1993 regelmatig bij de PTT beklaagd over het roken door haar collega’s met wie zij ongeveer vijf uur per dag samenwerkt in het postsorteercentrum in verband met het voorsorteren van post. Sinds 1997 werkt zij in een speciaal ten behoeve van haar door kasten gecreëerde werkplek in de grote sorteerruimte voor welk gedeelte de PTT een rookverbod heeft ingesteld. Daarnaast geldt een rookverbod in het damestoilet en in de kantine van 11.30 tot 13.30 uur. De president overweegt dat als algemeen aanvaard uitgangspunt geldt dat roken de gezondheid bedreigt en dat ook niet-rokers gezondheidsschade of hinder ondervinden van het roken door anderen in hun omgeving, in het bijzonder wanneer zij lijden aan aandoeningen van de ademhalingswegen, zoals in het geval van de postbestelster. Voorts overweegt hij dat de regering in 1999 als uitgangspunt voor nadere wetgeving neemt dat voor tabaksrook geen waarden voor maximaal aanvaarde concentraties zijn bepaald, dit in tegenstelling tot vele andere toxische stoffen in de lucht, zoals blijkt uit een recent rapport van de Gezondheidsraad. Vanuit dit uitgangspunt overweegt de president dat het recht op bescherming van de lichamelijke integriteit, de gezondheid, een grondrecht is dat is neergelegd in de Grondwet en doorwerkt in het arbeidsrecht, zoals in de Arbeidsomstandighedenwet waarin de werkgever is verplicht de arbeid zodanig te organiseren en de arbeidsplaatsen zodanig in te richten dat daarvan geen nadelige invloed uitgaat op de gezondheid van de werknemer. Daarbij moet worden begonnen met ondermeer organisatorische maatregelen die het gevaar bij de bron voorkomen. Pas indien dit niet doeltreffend kan, mogen andere maatregelen, bijvoorbeeld afvoer van verontreinigde lucht, aan de orde komen. Een algeheel rookverbod is daartoe geschikt en in het algemeen aangewezen binnen kantoorgebouwen, zo overweegt de president, waaraan de werkgever niet kan tegenwerpen de wens van andere werknemers die wel roken. Aan deze verplichting voldoet de PTT niet, nog los van de persoonlijke kwetsbaarheid van de postbestelster, aldus de president. Daaraan voegt de president toe dat de PTT en de Ondernemingsraad tot heden geruime tijd tekortgeschoten zijn in hun rookbeleid en dat de Wet op de Ondernemingsraden de bevoegdheid van de burgerlijke rechter om een rookverbod op te leggen aan een werkgever onverlet laat omdat dit niet is onderworpen aan de goedkeuringseis van de Ondernemingsraad. Tip: Dit vonnis zal voorlopig de arbeidsrechtelijke normering vormen ten aanzien van de problematiek van roken op de werkplek. Te verwachten valt ook dat het rookverbod als algemeen uitgangspunt in de nieuwe Tabakswet, die momenteel bij de Tweede Kamer aanhangig is, als wettelijke norm zal worden verheven. Bedrijven en instellingen zullen daarmee een actief rookbeleid moeten voeren in overleg met de OR, waarbij de slogan ‘Roken? Samen lossen we het op’ een heel andere betekenis zal krijgen. |