Kamerbeek Fillet advocaten arbeidsrecht ondernemingsrecht


Verwijtbaarheid en opzet bij ontslag op staande voet


27 april 2001

Na circa zes jaar als taxichauffeur bij Taxi Hofman in dienst te zijn geweest, wordt de werknemer in januari 1997 door Hofman staandevoets ontslagen omdat hij geld zou hebben verduisterd dat hij had ontvangen voor taxiritten.

Primair ontkent de werknemer de verduistering op feitelijke gronden: hij beroept zich er o.m. op dat de taximeter niet goed is ingesteld, hetgeen het door Hofman aangevoerde verschil zou verklaren. Subsidiair onderkent hij de mogelijkheid dat hij een aantal taxiritten niet heeft genoteerd en het ritgeld van die ritten niet is afgedragen, maar hij voert als reden daarvoor aan dat hij ooit een operatie heeft ondergaan en dat hij betrokken is geweest bij een auto-ongeval. In verband daarmee gebruikt hij medicijnen en als gevolg van het letsel mogelijk in combinatie met het medicijngebruik heeft hij last van concentratiestoornissen. Indien hij inderdaad zou hebben nagelaten ritten te noteren, wijt de werknemer dat aan deze concentratiestoornissen. En onder deze omstandigheden is volgens de werknemer evenmin sprake van verduistering omdat hij hieraan geen schuld kan hebben, laat staan dat er dan van opzet sprake zou kunnen zijn.

De kantonrechter gaat aan het primaire verweer van de werknemer voorbij, en terzake van de medische klachten beveelt hij een deskundigenbericht.

De werkgever gaat tegen dit tussenvonnis in beroep bij de rechtbank, die vervolgens de vorderingen van de werknemer afwijst. De rechtbank overweegt daartoe dat de werknemer, nadat Hofman het niet volledig afdragen van de taxigelden voor het eerst had geconstateerd, zijn concentratiestoornissen had moeten melden. Daarom kon niet worden gezegd dat de chauffeur met betrekking tot het (niet) afdragen van de taxigelden vrijuit ging en was een deskundigenbericht omtrent diens medische klachten niet noodzakelijk.

De werknemer gaat in cassatie. De Hoge Raad overweegt allereerst het onbegrijpelijk te vinden dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de werknemer enkele malen had verzuimd taxigelden af te dragen nu de werknemer dit bij de kantonrechter had betwist en de rechtbank dienaangaande niets heeft overwogen. De Hoge Raad acht bovendien onbegrijpelijk, hoe het door de rechtbank aangenomen verzuim om taxigelden aan Hofman af te dragen, de door Hofman aan het ontslag ten grondslag gelegde verduistering kan opleveren, nu voor verduistering opzet is vereist en de rechtbank niet heeft vastgesteld dat daarvan sprake is.

Het oordeel van de Hoge Raad zou o.i. niet anders zijn geweest indien de ontslaggrond zou bestaan uit het feitelijk enige malen niet afdragen van het ritgeld, zonder hieraan de kwalificatie verduistering te geven. In de recente rechtspraak van de Hoge Raad wordt immers sterk de nadruk gelegd op de noodzaak om bij de beoordeling van de aanwezigheid van een dringende reden alle omstandigheden van het geval waaronder de persoonlijke omstandigheid van de werknemer – in aanmerking te nemen. Daaraan doet o.i. niet af dat verwijtbaarheid niet steeds een vereiste is voor een ontslag wegens een dringende reden, zoals ook eens is beslist door de Hoge Raad.

Tip: Sommige ontslagredenen brengen naar hun aard met zich mee dat de eis van verwijtbaarheid moet worden gesteld. Anderzijds blijft overeind staan dat alle omstandigheden van het concrete geval moeten worden afgewogen.