Schadevergoeding bij ontslag
28 november 2009
Vrijdag 27 november 2009 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over vergoedingen bij zogehe-ten “kennelijk onredelijk ont-slag”. Even leek het erop dat in deze procedures werd gekomen tot een eenduidige formule ver-geleken met de kantonrechters-formule. De Hoge Raad oor-deelde echter anders. Reden waarom wij u enkele dagen eerder dan normaal de Fillet Fax Flits toezenden.
In Nederland kennen we twee ontslagroutes, namelijk de ont-bindingsprocedure bij de kan-tonrechter waar de kantonrech-tersformule als leidraad wordt gehanteerd, en de opzegging van het dienstverband na ver-kregen toestemming daarvoor van het UWV. Een werknemer kan in geval van opzegging van zijn dienstverband een vergoe-ding vragen omdat hij meent dat er sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag.
In deze zaak wees de kanton-rechter de vordering van de werknemer af. De werknemer ging in hoger beroep bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage die het ontslag vervolgens ken-nelijk onredelijk oordeelde en een vergoeding vaststelde. Bij het bepalen van de hoogte van deze vergoeding knoopte het hof aan bij de kantonrechters-formule zoals die geldt in ont-bindingszaken met dien ver-stande dat deze werd vermin-derd met 30%. Het hof achtte een dergelijke generieke korting aangewezen gelet op het ver-schil tussen de opzeggingspro-cedure waar na verkregen toe-stemming van het UWV de opzegtermijn in acht moet wor-den genomen en de ontbin-dingsprocedure waar in beginsel geen opzegtermijnen aan de orde zijn. De werkgever stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad en keerde zich tegen de toepassing van de kan-tonrechtersformule. De werk-nemer stelde ook beroep in en keerde zich tegen de toegepaste generieke korting van 30%.
De vier andere hoven in Neder-land hanteren inmiddels een afwijkende formule (de zgn. XYZ-formule) die kort gezegd inhoudt dat de vóór 1 januari 2009 geldende kantonrechters-formule wordt gehanteerd met toepassing van een generieke korting van maar liefst 50%.
Tegen één van deze uitspraken loopt ook een cassatieberoep bij de Hoge Raad.
Volgens de Hoge Raad kan bij vergoedingen op basis van ken-nelijk onredelijk ontslag niet de kantonrechtersformule worden toegepast, omdat een dergelijke vergoeding een ander karakter heeft dan een toe te kennen vergoeding in een ontbindings-procedure. In laatstgenoemde procedure is er sprake van een vergoeding naar billijkheid ter-wijl de vergoeding bij kennelijk onredelijk ontslag een vergoe-ding wegens geleden schade betreft. Bij kennelijk onredelijk ontslag moet de rechter oorde-len naar de omstandigheden van het geval en zijn beslissing naar behoren motiveren. Daarbij past een algemene kantonrechter-formule niet en ook de toepas-sing van een generieke korting verdraagt zich daarmee niet.
Rechterlijke beslissingen over de vergoeding bij kennelijk onredelijk ontslag blijven kort-om met deze uitspraak lastig voorspelbaar. Pas als de rechter-lijke macht in staat blijkt de van belang zijnde factoren duidelijk te benoemen en inzichtelijk te maken welke financiële conse-quenties daaraan worden ver-bonden, is een zekere harmoni-satie en voorspelbaarheid van beslissingen mogelijk.