Door UWV aan werkgever opgelegde loonsanctie door rechter vernietigd
31 augustus 2004
De op 1 januari 2002 ingevoerde Wet Verbetering Poortwachter beoogt vermindering van de WAO-instroom. Daartoe legt deze wet werkgevers en werknemers een grote reïntegratieinspanningsverplichting op die, bij niet-naleving, tot zowel privaatrechtelijke als publiekrechtelijke sancties leidt. Eén van deze sancties betreft de loonsanctie, een maatregel die het UWV de werkgever kan opleggen waardoor de werkgever wordt verplicht de periode waarover hij het loon van de arbeidsongeschikte werknemer moet doorbetalen (voorheen 52 weken; thans 104 weken) te verlengen. Het UWV heeft de tarifering van de loonsanctie nader vastgesteld in beleidsregels; onder meer is daarin bepaald dat de duur van de loonsanctie minimaal vier maanden bedraagt.
Onlangs zette de rechtbank ’s-Gravenhage – voor zover ons bekend als eerste rechtbank – een streep door een door het UWV op basis van zijn beleidsregels opgelegde loonsanctie van vier maanden.
Een werkgever meldde zijn werknemer op 26 augustus 2002 m.i.v. 25 augustus ziek bij het UWV. Op 29 april 2003 vraagt de werknemer een WAO-uitkering aan, zonder het vereiste reïntegratieverslag te overleggen dat toen al door de werkgever opgemaakt had moeten zijn. Het UWV verzoekt op 7 mei 2003 de werkgever dit reïntegratieverslag alsnog binnen veertien dagen in te dienen. De werkgever antwoordt op 21 mei 2003 dat hij zijn Arbo-dienst al geruime tijd geleden heeft gevraagd dit reïntegratieverslag op te stellen. Dit verslag wordt uiteindelijk op 4 juli – dus anderhalve maand te laat – bij het UWV ingediend. Intussen verlengde het UWV bij wijze van sanctie op 28 mei 2003 de periode waarover door de werkgever loon moet worden doorbetaald met vier maanden tot en met 24 december 2003. Aan de werknemer wordt vervolgens met ingang van 25 december 2003 een WAO-uitkering toegekend.
De werkgever stelt bij voornoemde rechtbank beroep in tegen deze loonsanctie en voert ter rechtvaardiging van de overschrijding van de termijn aan dat het zijn Arbo-dienst is die te traag heeft gehandeld en dat hij niet verantwoordelijk is voor het doen en laten van de Arbo-dienst. Met dit verweer maakt de rechtbank korte metten. Ingevolge vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep moet het tekortschieten van de (eigen) Arbo-dienst geacht worden in de risicosfeer van de werkgever te liggen.
Verder geeft de werkgever de rechtbank te kennen de sanctie van 4 maanden loondoorbetaling onevenredig zwaar te vinden. Op basis van dit argument vernietigt de rechtbank het besluit van het UWV. De rechtbank overweegt daartoe dat de verlenging van de loondoorbetaling volgens de wetgever een maatregel is met een reparatoir karakter. In overeenstemming hiermee is in de WAO niet alleen bepaald dat de duur van de verlenging wordt afgestemd op de aard en de ernst van het verzuim, maar vooral ook wordt gerelateerd aan de feitelijke vertraging of andere omissie van de werkgever terzake van deze verplichting tot reïntegratie. De minimum loonsanctie van 4 maanden in de beleidsregels van het UWV hebben volgens de rechtbank geen legitimerende betekenis. De loonsanctie heeft niet alleen de functie van een straf maar moet ook bevorderen dat de werkgever zijn gemaakte fout herstelt.
Tip: Maak bezwaar tegen een opgelegde loonsanctie als deze niet in verhouding staat tot uw tekortkoming.